Nooit is de wereld stiller, als wanneer de eerste sneeuw is gevallen. Elk geluid wordt gedempt, het hele leven vertraagd en niks lijkt nog te bewegen. Zelfs het zicht wordt verzacht met slechts tinten wit — en het zwart dat daar tegen af steekt. Er zweven wat blauw- en grijstinten aan de hemel, maar dat is het. Verder, alleen maar, rust.
Alsof de winter het afdwingt.
Werd je niet rustig van het vallen van de bladeren? Werd je niet rustig van de stille kou en de lange donkere nachten? Dan doen we er nu een schepje bovenop. Een laagje witte wolken aan de grond, om werkelijk alles tot rust te manen.
En het werkt.
Wanneer je de deur zachtjes achter je sluit, de sjaal strak om je nek en het onderste deel van je gezicht, daarboven je wollen muts — werkt het. Meteen. Je ademt de kille winterlucht en ademt warme wolken uit. Haaaa, dit is het.
Dit, is, rust. Stilte. Kalmte. Overal om je heen.
Je bent vroeg. Er is nog geen voetstap of ander geluid te herkennen in de wijde omgeving. Met je eerste stap knerpt de sneeuw onder je zijn zachte lieve kreun. Krrrrp.
Heerlijk.
Je stapt verder en loopt op het ritme van die muziek. Krrrrrp, krrrrp, krrrp.
Je pas is traag, bewust. Alsof je elke gedempte stap wil ervaren als de eerste. Het pad voor je puur en onaangeraakt. Achter je slechts de vergankelijke voetstappen die je achterliet.
Om je heen passeren de bomen terwijl je voorwaarts beweegt. Stil en onaangeroerd. Stevig en sterk. Bedolven onder een klein, compact laagje kristalwit, dat elke grote tot de kleinste tak accentueert. Elke tak lijkt… perfect. Zelfs de niet-symmetrische bomen hebben toch de perfecte vorm, omlijst met die meterslange kroon van wit. Als een sieraad, zo prachtig, dat het elke leeftijd en oneffenheid bedelft onder een laagje elegantie. Als iets vanzelfsprekends. Iets volkomen authentieks. Zonder twijfel.
Alles klopt.
Het landschap breekt open. Je kan kijken zo ver als je wil. En je ziet alleen maar: wit. In de verste verte zie je velden van wit. Fris, licht, helder, vers. Het stelt je gerust. Alles, werkelijk alles, onder die laag is in ruste. Draagt op dit moment de lichtheid van de kus van winterse sneeuw. Elke grasspriet buigt zich eerzaam onder de kille laag. Verroert zich op geen enkele manier, zoals het zwiert in de lente.
Dit, is een tijd van niet-bewegen.
Niet zwieren. Even niet.
Alleen nu. In dit moment.
Je staat stil. Neemt het in je op. Je beweegt mee met de witte kilte. Je beweegt niet. Alleen de frisse adem die naar binnen vloeit en de warme wolken die naar buiten drijven — je neus in, en uit.
—
Pas als je voelt dat je lijf weer beweging nodig heeft, bloed dat rond pompt, warmte, stap je stevig door. Huiswaarts, handen diep in de zakken, neus nog iets verder in je sjaal verstopt. Dan je hand op de deurklink, de warmte die je tegemoetkomt van binnenuit. Je jas gaat uit, muts, sjaal en wanten af.
En nu: een warme kop chocomel. Met slagroom.
