De ‘Fijne Dagen’ zijn voorbij. De eerste Dag is begonnen. Gewoon een Dag. Zoals zoveel Dagen waren, voordat het Fijne Feestdagen werden. Een Dag waarop ik mijn ogen open en de kou door het slaapkamerraam nog naar binnen voel kruipen. Ik trek mijn donzen dekbed iets strakker om me heen, zucht diep. Heerlijk, de eerste dag. Hij is hier.
Ik zwiep mijn benen uit bed en schiet snel in mijn zachte sloffen, die zich als warme wolkjes om mijn voeten vormen. Mijn flanellen pyjama houd ik gewoon nog even aan. Dat mag op de Eerste Dag.
Ik loop de krakende houten trap af — de derde en de een-na-laatste trede kraken, dat weet ik — en kom binnen in de keuken. Knip het licht aan om de ochtendschemer te bestrijden en knipper even met mijn ogen om aan het warme licht te wennen. De gloed die het werpt over mijn kleine keuken. De fluitketel die al klaarstaat, glanzend midden op het fornuis. Ik laat het water stromen, rechtstreeks de ketel in, door het smalle gat aan de bovenkant. Eerst stroomt het ijskoud, dan steeds warmer en uiteindelijk loeiheet. Dat begint er op te lijken.
De ketel gaat het vuur op. Tsssjk, tssssjk, tsssssjk, doet het fornuis, en dan is er vuur. Zo, die laten we lekker even pruttelen.
Vandaag nog even geen krant bij mijn ochtendthee. Op de Eerste Dag mag van mij alles nog even buitenshuis blijven. De wereld draait nog maar even lekker door zonder mij. Op die trein springen kan altijd nog.
Ik pak mijn dikste boek en sla het open. Net zoals de Eerste Dag zo’n heerlijk puur knisperig gevoel kan geven, waarin alles nog kan, geeft een nieuw boek me dat ook. Ook al lees ik het opnieuw. Het is een begin, en bij een begin is alles mogelijk. Alles kan nog passeren. Nieuwe mensen, nieuwe mogelijkheden, nieuwe plot twists. Ik kan niet wachten om ze te ontmoeten, ontdekken, ontrafelen.
Fuuuuuuuuuuuut, klinkt de fluitketel.
Hè, de thee is klaar. Ik giet het kokend hete water in een hoog glas, waar het kolkend zijn weg vindt. De thee-la trek ik open. Oei, veel keuzes. Mijn favoriet dan meteen maar. Pure Japanse groene thee, die smaakt naar verse velden en heldere hemelen. Knisperend wikkelt hij zich in mijn thee ei, en laat zich dopen in het inmiddels iets afgekoelde water. Ik zie hoe het groen zich meteen verspreid door het tot-voor-kort glasheldere water. Als een wonderbaarlijke wolk wordt het groen, groener, groenst. Tot het water precies verzadigd is, ik drink mijn thee het liefst niet te krachtig, en vis het ei weer omhoog, om het met een zachte kling te laten landen op mijn thee-schoteltje.
Het glas neem ik boven aan het randje vast, daar voelt het aangenaam warm en niet te heet, en neem het mee naar mijn boek-hoek. Een grote leunstoel bij de haard. Zo eentje die rechtstreeks bij mijn oma vandaan had kunnen komen. Groot en massief, in een zachte maar stevige corduroy ribstof. De bekende omhelzing van de stoel doet nog een zucht ontsnappen. Ik zit. De thee staat naast me. Mijn boek ligt opengeslagen op schoot.
Laat die Eerste Dag maar komen.
