Het is een donkere koude nacht. Je voelt het, hier buiten, tijdens je avondwandeling. Geen wonder. Het is eind november. De laatste weken van het jaar zijn al aangebroken. Een vreemd idee. De zomer leek nog zo dichtbij, als het zuchtje wind dat nog voorbij waait, net nadat een deur sluit.
Alsof die laatste warme zomerbries nog voelbaar is, al is het weken geleden dat je hem voelde. Die zachte tintelende zonnestralen op je huid, waarvoor je je ogen moest sluiten, om je niet te branden aan het felle licht. Een zachtheid, voelbaar tot in je botten, wetende dat het nog maanden zal duren voordat je dit weer zou voelen, in het komende voorjaar.
En dan nu de kou. Die is niet onaangenaam. Dat niet. Het is een bekende misvatting. Kou is… anders. Kou daagt je uit, maakt een warm bad een heerlijke beloning. Het frist je op. Alsof er meer zuurstof in de lucht zit. Meer lichtheid, ten opzichte van de zware zomerhitte.
Je trekt je wollen muts verder over je oren en ademt zichtbaar in de kommetjes van je handen, gehuld in je gebreide handschoenen. Je wandelt verder. Nog één blokje om in het duister.
Het duister… Nog zo’n miskende vriend. Donker is niet alleen het donker. Het nodigt licht uit, maakt het kleinste lichtpuntje zichtbaar. Zoals de kleinste sterren aan de hemel, die je nu al vroeg ziet, als je omhoog kijkt. Een wijde duistere sterrenhemel zie je, met die fonkelende maan in het midden. En dan die duizenden lichtpuntjes. Soms zou je willen dat je er de sterrenbeelden in herkent. Maar voor nu is het genoeg om ze te zien zoals ze zijn: als eeuwig flonkerende lichtpuntjes in de duisternis. Altijd daarboven als je ze nodig hebt.
Je stapt stevig door, terwijl je voelt dat je van binnenuit langzaam opwarmt. Dan zie je je huis, aan het eind van het pad. Daar brandt licht. Als de meest heldere ster van allemaal. Daar is het licht. Daar is het warm. Daar is binnen.
De deur kraakt zachtjes terwijl je naar binnen stapt. Hè, heerlijk… Thuis.
Je jas, muts, das en wollen wanten laat je achter bij de voordeur, samen met je warme laarzen. Op je sokken treed je binnen.
Dit moment vraagt om kaarsjes. Je steekt ze aan met een zwavelgeur verspreidende lucifer – tsssjk – om het licht op dat stokje zachtjes over te brengen naar het uitstekende lontje, wachtend op zijn moment om te schijnen. En zodra die de vlam te pakken heeft, zijn taak uitermate serieus neemt, en vlamt alsof het z’n lieve lust is, terwijl een geurige aroma van etherische olie zich verspreid. Lavendel met sandelhout en ceder, als je je niet vergist.
Je ademt nog eens diep in, nu de kaars zijn was zichtbaar zacht en vloeibaar heeft gemaakt – hmmmmm. Ja hoor. Eerst die vleug herkenbare lavendel, die je altijd meteen weet te kalmeren met z’n geurende beelden van glooiende Franse velden in de zon. Dan het diepe sandelhout, zwaar en krachtig, gevolgd door het natuurlijke bosachtige ceder, als een wandeling in een dennenbos, de naalden knisperend onder je voetstappen. Je ziet het voor je, voelt het, hier midden in de je woonkamer. Een 3D wereld in je binnenwereld. In je warme huis, onder je zachte deken, op de bank, terwijl je uit het raam de meest felle sterren nog zachtjes kunt zien schijnen.
Dit is het werk van de winter: het neemt je mee naar een magische binnenwereld, door je langzaam maar zeker te onttrekken aan de koude duistere buitenwereld. Geef je over aan die beweging naar binnen, en de winter omhelst je met z’n warme armen…
Voel je dat?
